Infectieziekten

In Nederland is de last van infectieziekten relatief beperkt. Het risico van een uitbraak van een (ernstige) infectieziekte zoals een grieppandemie blijft echter reëel. De Rijksoverheid voert op strategisch niveau beleid uit om hierop voorbereid te zijn.

Het voorkomen en bestrijden van zeer besmettelijke of ernstige infectieziekten bij mensen is vastgelegd in de Wet publieke gezondheid (Wpg). Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) is op grond van die wet verantwoordelijk voor het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) dat door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) wordt georganiseerd. Omdat de kennis over vaccinaties en infectieziekten toeneemt, wordt continu bekeken hoe de bescherming die het RVP biedt kan worden gemaximaliseerd. Naar aanleiding van de lichte daling van de vaccinatiegraad in Nederland heeft de staatssecretaris van VWS verbetermaatregelen gepresenteerd.

In 2005 hebben de lidstaten van de WHO (waaronder Nederland) afspraken gemaakt over de signalering en bestrijding van infectieziekten. Deze afspraken zijn vastgelegd in de International Health Regulations . Deze zijn in Nederland verwerkt in de Wpg. Op initiatief van VWS heeft Nederland zich aangemeld voor een Joint External Evaluation (JEE) door de WHO. Tijdens de JEE zal Nederland worden beoordeeld op de voorbereiding op volksgezondheidsrisico’s, waaronder infectieziekten.

De EU werkt ten slotte met de lidstaten aan het voorkomen en bestrijden van infectieziekten en het verbeteren van de weerbaarheid. Het European Centre for Disease Control (ECDC) speelt hierin een belangrijke rol. Het ministerie van VWS en het RIVM werken nauw samen met deze partijen. Een concreet voorbeeld van deze Europese samenwerking is de gezamenlijke aanschaf van pandemische griepvaccins door een Joint Procurement Initiative van de Europese Commissie.

Antibioticaresistentie

De opkomst van antibioticaresistentie is zorgwekkend en vraagt om een integrale en gecoördineerde aanpak. Met het in 2015 gestarte programma antibioticaresistentie (programma ABR) geeft de regering invulling aan een integrale en strategische aanpak van het probleem. Over de voortgang van dit programma is de Tweede Kamer met regelmaat geïnformeerd. Vergeleken met andere landen is de situatie in Nederland relatief goed. Nederland zet zich er in internationale fora voor in om de situatie ook in andere landen te verbeteren. Het programma ABR loopt tot 2019. Voor het einde van het programma gaat de overheid samen met het veld na of er aanleiding is het programma te verlengen en welke aanpassingen nodig zijn om de dreiging van antibioticaresistentie in de toekomst het hoofd te bieden.

Zoönosen

Afgelopen jaren zijn er voor zoönosen (ziekten die van dier op mens overdraagbaar zijn) geen veranderingen waargenomen die de nationale veiligheid zouden kunnen raken. De inzet op het voorkomen, beheersen en bestrijden van zoönosen ligt besloten in de Wpg en de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (GWWD). De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) houdt hierop toezicht en kan optreden. Het Centrum Zoönosen en Omgevingsmicrobiologie (Z&O) van het RIVM coördineert het ‘signaleringsoverleg zoönosen’. Dit overleg signaleert en beoordeelt (nieuwe) risico’s van pathogene micro-organismen die vanuit dieren, voedsel of het milieu overdraagbaar zijn naar de mens in Nederland. Ieder jaar publiceert het RIVM het rapport Staat van Zoönosen, met daarin informatie en ontwikkelingen over de zoönosen die voor Nederland van belang zijn. De ministeries van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit en Volksgezondheid, Welzijn en Sport beschikken over een gezamenlijke crisisstructuur en gezamenlijke crisishandboeken voor zoönosen. Deze structuren worden regelmatig geoefend.